De Nederlandse bouw- en milieuregelgeving bevindt zich in een fundamentele transformatie, waarbij het concept van de gefaseerde omgevingsvergunning een van de meest complexe juridische en strategische dossiers vormt. Voor projectontwikkelaars, architecten en investeerders is het begrijpen van de verschuiving van het regime onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) naar de nieuwe Omgevingswet van cruciaal belang. Waar de Wabo een specifiek instrument kende voor het samenvoegen van besluiten tot één integrale vergunning, introduceert de Omgevingswet een nieuwe methodiek waarbij de nadruk verschuift van een gefaseerde vergunning naar de mogelijkheid tot het gefaseerd aanvragen van afzonderlijke activiteiten. Deze transitie raakt de kern van de projectvoorbereiding, de financiële risicobeheersing en de juridische houdbaarheid van bouwprojecten in de vroeente van de nieuwe wetgeving.
Het concept van de gefaseerde vergunning was historisch gezien een instrument om onlosmakelijk met elkaar samenhangende activiteiten te reguleren zonder dat de aanvrager direct de volledige technische uitwerking van het gehele project hoefde te presenteren. In de praktijk betekende dit dat de uitkomst van een eerste fase de basis legde voor de tweede fase, waarbij de uiteindelijke vergunning pas bestond uit de optelsom van beide positieve besluitvormingen. De komst van de Omgevingswet heeft dit mechanisme niet simpelweg geëlimineerd, maar fundamenteel hergedefinieerd, wat directe gevolgen heeft voor de manier waarop de rechtszekerheid en de procedurele doorlooptijd worden gewaarborgd.
De mechanica van de gefaseerde vergunning onder de Wabo
Onder het regime van de Wabo, specifiek geregeld in artikel 2.5 Wabo, was het mogelijk om een omgevingsvergunning in maximaal twee fasen te verlenen. Dit was met name relevant bij zogenaamde 'onlosmakelijke activiteiten'. De juridische kern van dit instrument lag in de verbondenheid van de besluiten. Wanneer een aanvrager bijvoorbeeld een afwijking van het bestemmingsplan aanvraagde (fase 1) die noodzakelijk was voor een bepaald type bebouwing (fase 2), konden deze twee afzonderlijke aanvragen leiden tot één gezamenlijke omgevingsvergunning.
De werking van dit proces werd gekenmerkt door strikte voorwaarden:
- Onlosmakelijke samenhang: Volgens artikel 2.7 Wabo moesten activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhingen, in één aanvraag worden opgenomen. De gefaseerde procedure onder artikel 2.5 Wabo vormde hierop een uitzondering, waardoor de aanvrager de mogelijkheid kreeg de vergunningverlening op te splitsen.
- De rol van de eerste fase: Bij de indiening van de aanvraag voor fase 1 rustte op de aanvrager de verplichting, op grond van artikel 4.5, lid 2 Bor, om expliciet te vermelden uit welke activiteiten het gehele project zou bestaan. Dit voorkwam dat de overheid verrast werd door onvoorziene nevenactiviteiten in een latere fase.
- Het samengestelde besluit: De juridische status van de vergunning was pas volledig rond wanneer beide fasen positief waren beslist en de besluiten in werking waren getreden. Artikel 6.3, lid 1 Wabo bepaalde zelfs dat de besluiten met betrekking tot fase 1 en fase 2 op dezelfde dag in werking moesten treden om als één vergunning te fungeren.
- Uitvoerbaarheid: Een kritiek punt in de jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestermrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 20 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3119), was dat de voorgenomen activiteiten pas daadwerkelijk uitgevoerd mochten worden nadat beide besluiten waren verleend.
Deze methodiek bood een enorme strategische waarde. Door eerst de randvoorwaardelijke aspecten, zoals de ruimtelijke ordening (afwijking bestemmingsplan) of milieutechnische aspecten, te toetsen, kon een ontwikkelaar de technische en kostbare details van de bouw (zoals constructieberekeningen) pas in de tweede fase volledig uitwerken. Dit verkleinde het financiële risico aanzienlijk; indien de ruimtelijke aspecten in fase 1 werden afgewezen, was er geen kostbare investering gedaan in de technische detaillering van de bouwvergunning.
Strategische toepassing bij onlosmakelijke activiteiten
De toepassing van gefaseerde aanvragen is vaak noodzakelijk wanneer activiteiten juridisch gezien niet zonder elkaar kunnen bestaan. Een klassiek voorbeeld is de situatie waarin een bouwwerk moet worden opgericht dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan. In dit geval is er een onlosmakelijke samenhang tussen de activiteit 'bouwen' en de activiteit 'gebruik in strijd met het bestemmingsplan'.
De procedurele voordelen en risico's in deze context zijn als volgt:
- Voorbereidingsprocedure: De aard van de activiteit bepaalt de procedure. Indien een aanvraag enkel betrekking heeft op een gebruik in strijd met het bestemmingsplan, kan de reguliere (korte) voorbereidingsprocedure van toepassing zijn, mits het bevoegd gezag dit juist beoordeelt. Een foutieve toepassing van de uitgebreide procedure door de gemeente kan leiden tot juridische aanvechtbaarheid.
- Risico-isolatie: De aanvrager kan de uitkomst van de eerste vergunning afwachten voordat de kosten voor de tweede aanvraag worden gemaakt. Dit is met name cruciaal bij complexe projecten zoals de aanvraag voor een varkensstal, waarbij eerst de milieueisen (fase 1) moeten worden getoetst voordat de bouwtechnische aspecten (fase 2) worden ingebracht.
- Juridische onafhankelijkheid van fasen: Een cruciaal juridisch leerstuk is dat een gebrek in de aanvraag van de eerste fase niet automatisch leidt tot de nietigheid of het falen van de tweede fase. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raarbstate heeft in een uitspraak van 3 oktober 2018 bevestigd dat de besluitvorming over de afzonderlijke fasen juridisch gescheiden kan blijven, wat een veilige haven biedt voor de voortgang van het project.
De onderstaande tabel illustreert de differentiatie tussen de fasen in een typisch scenario onder de Wabo:
| Kenmerk | Fase 1 (Bijvoorbeeld Milieu/Ruimtelijk) | Fase 2 (Bijvoorbeeld Bouwen) |
|---|---|---|
| Focus | Randvoorwaarden en ruimtelijke inpassing | Technische specificaties en constructie |
| Inhoud | Toetsing aan bestemmingsplan, milieuregels | Constructieberekeningen, brandveiligheid |
| Strategisch doel | Beoordelen van haalbaarheid project | Definitieve toestemming voor uitvoering |
| Juridische status | Onderdeel van de integrale vergunning | Onderdeel van de integrale vergunning |
De transitie naar de Omgevingswet: Van één vergunning naar fasering van activiteiten
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het specifieke rechtsfiguur van de 'gefaseerde omgevatievergunning' uit de Wabo (artikel 2.5) komen te vervallen. De parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 962 en 2017-2018, 34 986) laat duidelijk zien dat de wetgever de voorkeur geeft aan een andere vorm van flexibiliteit. In plaats van één vergunning die in twee fasen wordt verleend, biedt de Omgevingswet de mogelijkheid om activiteiten gefaseerd aan te vragen via afzonderlijke aanvragen die in de tijd gespreid zijn.
Artikel 5.7, lid 1 van de Omgevingswet vormt hier de nieuwe basis. Dit artikel staat toe dat een aanvraag naar keuze van de aanvrager betrekking heeft op één of meer activiteiten. Hoewel er uitzonderingen zijn (zoals bij bepaalde wateractiviteiten of de combinatie met specifieke MBA's), is de kernwaarde — het spreiden van de aanvraag over de tijd — behouden gebleven, maar de juridische constructie is veranderd.
De belangrijkste verschillen in de nieuwe systematiek zijn:
- Geen integrale vergunning meer: Waar onder de Wabo de besluiten samen één vergunning vormden, spreken we onder de Omgevendewet nu over 'fasering van omgevingsvergunningen'. Dit resulteert in twee (of meer) afzonderlijke omgevingsvergunningen in plaats van één samengestelde.
- De nieuwe structuur:
- Fase 1: Een afzonderlijke omgevingsvergunning voor de eerste activiteit.
- Fase 2: Een afzonderlijke omgevingsvergunning voor de vervolgactiviteit.
- Het gevolg: De juridische verstrengeling tussen de besluiten is minder strikt, wat de administratieve lasten voor de overheid kan verlagen, maar voor de aanvrager een andere focus op de rechtszekerheid vereist.
Overgangsrecht en de juridische splitsing
Een van de meest kritieke aspecten voor lopende projecten is de wijze waarop het overgangsrecht is vormgegeven. De overgang van de Wabo naar de Omgevingswet creëert een juridisch grijs gebied voor projecten die tijdens de transitie worden behandeld.
De regels voor de afwikkeling zijn als volgt bepaald:
- Aanvragen vóór inwerkingtreding: Omgevingsvergunningen die reeds waren aangevraagd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden afgehandeld volgens de oude regels van de Wabo (conform artikel 4.79 lid 3 Invoeringswet Omgevingswet).
- Aanvragen na inwerkingtreding: Voor alle nieuwe aanvragen die nog niet waren ingediend op het moment van de wetswijziging, geldt de nieuwe systematiek van de Omgevingswet.
- Het scenario van de onvoltooide fase: Indien op 1 januari 2023 (het moment van de transitie) een fase 1 vergunning reeds was verleend of aangevraagd, maar de fase 2 nog niet bestond, vindt er een splitsing plaats. De verleende fase 1 blijft staan als een geldige besluitvorming, maar de daaropvolgende fase 2 wordt behandeld als een volledig nieuwe, afzonderlijke aanvraag onder de nieuwe Omgevingswet.
Dit betekent dat de 'gefaseerde omgevingsvergunning' als één geheel ophoudt te bestaan en wordt opgebroken in losse, afzonderlijke omgevingsvergunningen. Voor de praktijk betekent dit dat de strategische planning van projecten moet rekening houden met de datum van indiening; een aanvraag die net voor de deadline wordt ingediend, profiteert nog van de oude, geïntegreerde structuur, terwijl een latere aanvraag direct te maken krijgt met de nieuwe, gefragmenteerde regels.
De onderstaande tabel vat de transitie samen voor de projectbeheerder:
| Situatie | Regime | Resultaat |
|---|---|---|
| Aanvraag ingediend vóór Omgevingswet | Wabo (artikel 2.5) | Eén gefaseerde vergunning (samengesteld besluit) |
| Aanvraag ingediend ná Omgevingswet | Omgevingswet (artikel 5.7) | Twee (of meer) afzonderlijke vergunningen |
| Fase 1 verleend, Fase 2 nog niet aangevraagd tijdens transitie | Mix van regimes | Splitsing: Fase 1 (Wabo) en Fase 2 (Omgevingswet) |
Conclusie en professioneel advies
De transitie van de gefaseerde omgevingsvergunning onder de Wabo naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet markeert een verschuiving van een geïntegreerde juridische constructie naar een meer gefragmenteerde, maar flexibele aanvraagstructuur. Voor de professionele partij in de bouw en vastgoedontwikkeling is de belangrijkste les dat de strategische waarde van de 'fase 1' — het toetsen van de ruimtelijke en milieutechnische haalbaarheid — onveranderd groot blijft. Echter, de juridische verankering van deze fasen is veranderd.
Onder de Wabo bood de gefaseerde vergunning een sterke juridische eenheid, waarbij de besluiten samen één vergunning vormden. Onder de Omgevingswet moet men rekening houden met de autonomie van de afzonderlijke vergunningen. Het risico dat een fout in de eerste fase de tweede fase direct aantast, is kleiner geworden, maar de complexiteit van het beheren van meerdere, losstaande vergunningen neemt toe.
Projectontwikkelaars moeten bij de planning van hun projecten uiterst nauwkeurig de datum van indiening bewaken. Het strategisch gebruikmaken van de splitsing tussen ruimtelijke aspecten en technische aspecten blijft de beste methode om investeringsrisico's te minimaliseren. Men dient er echter rekening mee te houden dat de nieuwe systematiek van de Omgevingswet vereist dat men de juridische gevolgen van afzonderlijke besluiten beter in kaart brengt, aangezien de 'automatische' samenhang van de oude Wabo-vergunning niet langer de juridische standaard is. De focus moet verschuiven van het bouwen aan één 'megavergunning' naar het beheersen van een reeks van afzonderlijke, maar complementaire vergunningsstromen.
Bronnen
- Omgevingsweb: Hoe zit het met de gefaseerde omgevingsvergunning onder de Omgevingswet?
- Declercq: De gefaseerde aanvraag bij gebruik in strijd met het bestemmingsplan
- De Margaretha: De gefaseerde omgevingsvergunning: een strategische gids
- Pels Rijcken: Gefaseerde aanvraag bij onlosmakelijke activiteiten
- Schulinck: Omgevingsvergunningen nu en onder de Omgevingswet
