De beloning van topbestuurders binnen de Nederlandse woningbouwsector staat voortdurend onder de loep van overheidsautoriteiten, media en de maatschappelijke opinie. Centraal in dit gesprek staat de zogenaamde Balkenendenorm, een referentiepunt dat oorspronkelijk was bedoeld als een ethisch en financieel anker voor het inkomen van leiders in publieke instellingen. Echter, recente journalistieke onderzoeken tonen aan dat er een significante kloof bestaat tussen de voorgeschreven normen en de werkelijkheid in de sector van de woningcorporaties. Terwijl de overheid streeft naar strikte naleving, tonen cijfers aan dat een aanzienlijk deel van de directeurs van woningcorporaties deze limieten overschrijdt. Dit fenomeen roept vragen op over de effectiviteit van zelfregulering en de noodzaak van wetgevende ingrepen. De complexiteit van dit onderwerp ligt niet alleen in de hoogte van de salarissen, maar in de methodologie van berekening, de mate waarin corporaties van verschillende groottes worden beoordeeld, en het falen van sectorale codes om de norm handhaven.
Het kernpunt van de discussie is de mate waarin bestuurders van woningcorporaties boven de Balkenendenorm uitkomen. Uit gedetailleerde analyses blijkt dat deze overschrijding niet zeldzaam is. Een onderzoek naar de jaarverslagen van negentig woningcorporaties onthulde dat in de provincies Gelderland, Overijssel en Flevoland, maar liefst 23 directeur-bestuurders in 2010 meer verdienden dan de toenmalige Balkenendenorm van 188.000 euro. Dit cijfer komt overeen met ongeveer 25% van de onderzochte directeurs in die specifieke regio's. Wanneer de analyse wordt uitgebreid naar een breder landsdekkend onderzoek, stijgt dit percentage aanzienlijk. Uit een gezamenlijk onderzoek uitgevoerd door het Financieele Dagblad, De Stentor en bureau roAg bleek dat bijna een derde van de bestuurders van woningcorporaties de Balkenendenorm overschrijdt. Dit betekent dat bij een steekproef van 285 bestuurders, ongeveer 30% een inkomen verdiend dat hoger ligt dan de gestelde norm van 193.000 euro.
Deze cijfers illustreren een structureel probleem binnen de sector. Het gaat niet om een incidentele overtreding, maar om een systematische afwijking. Interessant is dat de omvang van de corporatie geen bepalende factor lijkt te zijn. Het onderzoek toont aan dat een kwart van de bestuurders die boven de norm uitkomen, bestuurt een relatief kleine corporatie met minder dan 10.000 woningen. Dit wijst erop dat de grootte van de organisatie geen rechtvaardiging biedt voor een hoger salaris. De verhouding tussen de schaal van de corporatie en de beloning lijkt los te staan van de prestaties of de verantwoordelijkheid. In een van de gevonden casuïstieken werd de directeur-bestuurder van de woningcorporatie Ons Huis in Apeldoorn vermeld met een jaarinkomen van 150.000 euro, een bedrag dat identiek is aan dat van de directeur van de corporatie Borne. Ondanks dat de Apeldoornse corporatie twee keer zo groot is als die in Borne, is de beloning gelijk. Dit suggereert een soort "vergelijkend evenwicht" binnen de sector dat niet noodzakelijk gekoppeld is aan de werkelijke omvang van de taken, maar mogelijk gerelateerd is aan sectorale standaardisering.
Het vraagstuk wordt verder verwarrend door de methodologische verschillen in het berekenen van het inkomen. Eerdere onderzoeken, zoals die van het Verbond van Toezicht op Woningbouw (VTW), kwamen tot de conclusie dat slechts 5% van de bestuurders boven de norm zat. Het nieuwste onderzoek, dat 30% vindt, legt uit dat de verschillen liggen in de berekeningsmethode. De oude methode telde slechts een deel van het werkgeversdeel van de pensioenpremie mee. De nieuwe, correcte methode, conform de Wet Normering Topinkomens (WNT), voorschrijft dat het gehele werkgeversdeel van de pensioenpremie moet worden meegenomen in de berekening van het inkomen. Deze wijziging in de definitie van "bruto-inkomen" zorgt voor een schrikbarend verschil in de uitkomst van het onderzoek. Het is cruciaal om te begrijpen dat de WNT als rechtsgrondslag fungeert voor de berekening van het totaalinkomen, waarbij ook het werkgeversdeel van de pensioenpremie als beloning wordt beschouwd.
De reactie van de sector op deze bevindingen toont een patroon van zelfregulering die niet lijkt te werken. Na een reeks van controversiële gevallen van bestuurders – zoals Erik Staal van Vestia, Walter Vermeulen van Laurentius en Hubert Möllenkamp van Rochdale – heeft de branche zelf een sectorbrede beloningscode opgesteld. Deze code, vastgesteld in juli 2010, heeft voor het eerst een dwingend karakter. Doel van deze code is om de sector te dwingen tot naleving van de normen. Woningcorporaties vallen binnen de zwaarste categorie en moeten voldoen aan de Balkenendenorm. Hierdoor moeten bestaande arbeidscontracten worden "opengebroken" om de beloning in lijn te brengen met de norm. Echter, het onderzoek van vandaag toont het falen van deze zelfregulering aan. De code bestaat, maar de feitelijke naleving is ver boven de verwachtingen.
Het falen van de zelfregulering leidt tot een groter verlangen naar externe controle. De Tweede Kamer heeft een voorstel ingediend waarbij bestuurders van bedrijven waarvan de Nederlandse staat aandeelhouder is, zoals de NS en ProRail, zoveel mogelijk onder de Wet Normering Topinkomens (WNT) moeten vallen. Dit voorstel, ingediend door PVV'er Henk de Vree, kreeg steun van een meerderheid. Hoewel dit voorstel specifiek richt op staatsbedrijven, heeft het een directe implicatie voor de discussie rondom woningcorporaties. De overheid overweegt om de WNT uit te breiden naar de sector van de woningcorporaties, gezien hun publieke aard en de noodzaak om de maatschappelijke verantwoordelijkheid te benadrukken.
Er is een duidelijke spanning tussen de interne regels van de sector en de externe wetgeving. De sector heeft geprobeerd zichzelf te reguleren met een bindende code, maar de cijfers laten zien dat dit niet heeft gewerkt. Dit heeft geleid tot een situatie waarbij de overheid overweegt om wettelijke maatregelen te treffen. De wet moet nog door de Eerste Kamer. Dit proces van wetgeving is ingegeven door het falen van de sector om de normen zelf af te dwingen. De vraag is of de uitbreiding van de WNT naar woningcorporaties de oplossing biedt, of dat er een fundamenteel probleem is met de interpretatie van de normen zelf.
De discussie over de Balkenendenorm is niet statisch; het getal zelf wijzigt naarmate de tijd verstrijkt. De norm bedroeg 188.000 euro in 2010 en is later opgevoerd naar 193.000 euro. Deze verhoging weerspiegelt de inflatie en de wijzigende economische omstandigheden. Ondanks deze verhoging blijft het aantal bestuurders dat boven de norm uitkomt, hoog. Dit betekent dat de norm een dynamisch doelwit is, maar dat de sector er in slagen om het overschrijden van deze dynamische grens als een structureel patroon te handhaven.
Een belangrijke dimensie van het probleem is de perceptie van de maatschappij. Wanneer een directeur van een woningcorporatie een inkomen van meer dan 300.000 euro per jaar verdient, zoals het geval is bij acht directeuren, ontstaan er vraagtekens over de maatschappelijke rechtvaardiging. Drie van deze directeuren werken voor de Amsterdamse woningcorporatie Ymere. Dit feit is significant omdat het aangeeft dat het probleem niet beperkt is tot een enkele regio, maar landelijk voorkomt. De aanwezigheid van hoge beloningen bij een grote, prominente corporatie zoals Ymere suggereert dat dit een breed probleem is binnen de sector.
De vergelijking tussen de diverse bronnen en de conclusies die daaruit voortvloeien, wijst op een noodzaak voor transparantie. De verschillen in de berekening van het inkomen, zoals het meenemen van het werkgeversdeel van de pensioenpremie, zijn cruciaal voor het begrijpen van de cijfers. Als de sector niet transparant is over hoe het inkomen wordt berekend, wordt het onmogelijk om de naleving van de norm te controleren. Dit is een van de redenen waarom de overheid overweegt om de WNT uit te breiden naar de sector van de woningcorporaties.
De sector heeft al verschillende salariscodes gehad, maar de meest recente code uit juli 2010 is de enige met een dwingend karakter. Echter, de cijfers tonen aan dat deze code niet effectief is gebleken in het beperken van de beloningen. Dit leidt tot de conclusie dat zelfregulering onvoldoende is en dat externe regulering noodzakelijk is. De overheid overweegt om de WNT uit te breiden naar de sector van de woningcorporaties, wat zou betekenen dat de norm wettelijk verankerd wordt en niet langer afhankelijk is van de vrijwillige naleving van de sector.
In de context van de woningbouwsector is de discussie over de Balkenendenorm onlosmakelijk verbonden met de vraag naar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Woningcorporaties hebben een publieke functie en beheren een groot aantal woningen voor de maatschappij. Het feit dat bestuurders van deze organisaties hogere salarissen ontvangen dan de norm, wordt gezien als een schending van het vertrouwen van de burgers. Dit is reden dat de Tweede Kamer wil dat bestuurders van bedrijven waarvan de Nederlandse staat aandeelhouder is, onder de WNT vallen. Hoewel dit voorstel specifiek richt op staatsbedrijven, is de logica toepasbaar op woningcorporaties die ook een publieke functie vervullen.
De volgende tabel geeft een overzicht van de belangrijkste feiten en cijfers uit de beschikbare gegevens, met name de vergelijking tussen de verschillende onderzoeken en de definitie van de norm:
| Onderwerp | Oudere Analyse (VTW) | Nieuwere Analyse (Stentor/FD/roAg) | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Aantal bestuurders boven norm | 5% | ~30% (bijna een derde) | Verschil komt door de berekeningsmethode van het inkomen. |
| Berekening inkomen | Alleen werkgeversdeel pensioenpremie (gedeeltelijk) | Volledig werkgeversdeel pensioenpremie | WNT vereist volledige meename. |
| Normbedrag (2010) | 188.000 euro | 193.000 euro | De norm is aangepast door de tijd. |
| Aantal hoge beloningen | Niet gespecificeerd | 8 directeuren > 300.000 euro | Drie werken voor Ymere. |
| Omvang corporatie | Niet gespecificeerd | Kleinere corporaties ook boven norm | Grootte maakt niet uit voor beloning. |
| Regelgeving | Geen specifieke wet | WNT moet worden uitgeoceerd | Tweede Kamer wil dit voor staatsbedrijven. |
De verschillen in de beloningen binnen de sector zijn ook opvallend. Terwijl een directeur van een grote corporatie zoals Ymere hoge salarissen ontvangt, zijn er ook directeuren van kleinere corporaties die vergelijkbare bedragen ontvangen. Dit suggereert dat de beloning niet noodzakelijk gekoppeld is aan de omvang van de organisatie, maar mogelijk aan sectorale afspraken. De sector heeft geprobeerd dit te reguleren met een code, maar de cijfers tonen dat dit niet heeft gewerkt.
De discussie over de Balkenendenorm en de beloning van bestuurders van woningcorporaties is een complex onderwerp dat raakt aan de kern van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van deze organisaties. De feiten tonen aan dat er een systeemfout bestaat waarbij de zelfregulering van de sector onvoldoende is gebleken. Dit leidt tot de noodzaak voor externe controle en wetgeving. De Tweede Kamer wil dat bestuurders van staatsbedrijven onder de WNT vallen, wat een voorbeeld is van hoe de overheid probeert de sector te reguleren. De vraag is of dit ook zal gelden voor de woningcorporaties.
Het is belangrijk om te begrijpen dat de Balkenendenorm niet alleen een financieel referentiepunt is, maar ook een symbool van maatschappelijke rechtvaardigheid. Wanneer bestuurders van publieke instellingen te hoog betaald worden, ontstaat er een perceptie van oneerlijkheid en misbruik van machtspositie. Dit is reden dat de overheid overweegt om de WNT uit te breiden naar de sector van de woningcorporaties. Het doel is om de sector te dwingen om de normen na te leven.
Deze situatie is niet nieuw; er waren al eerder gevallen van bestuurders die de norm overschreden, zoals Erik Staal, Walter Vermeulen en Hubert Möllenkamp. Deze gevallen hebben geleid tot een versterking van de sectorcode. Echter, de nieuwe cijfers tonen dat de code niet heeft gewerkt. Dit is reden voor de Tweede Kamer om in te grijpen met een wettelijk kader. De wet moet nog door de Eerste Kamer, wat betekent dat er nog sprake is van onzekerheid over de toekomstige regelgeving.
In samenvatting, de situatie rondom de beloning van bestuurders van woningcorporaties is complex. De cijfers tonen aan dat de zelfregulering van de sector onvoldoende is. De overheid overweegt om de WNT uit te breiden naar deze sector, wat een belangrijke stap zou zijn om de maatschappelijke verantwoordelijkheid te garanderen. Het is cruciaal dat de sector transparant is over de berekening van het inkomen, met name het werkgeversdeel van de pensioenpremie, om te voorkomen dat de norm wordt omzeild.
Conclusie
De analyse van de beschikbare gegevens onthult een duidelijk patroon van afwijking binnen de sector van de woningcorporaties. Ondanks de inspanningen van de sector om een bindende beloningscode te introduceren, blijkt uit recente onderzoeken dat bijna een derde van de bestuurders boven de Balkenendenorm uitkomt. Dit wijst op het falen van zelfregulering en de noodzaak voor externe wettelijke ingrepen. Het feit dat de grootte van de corporatie geen invloed lijkt te hebben op de beloning, suggereert dat er andere factoren, zoals sectorale afspraken of een gebrek aan transparantie, een rol spelen. De uitbreiding van de Wet Normering Topinkomens (WNT) naar de sector van de woningcorporaties is een logisch en noodzakelijk gevolg van deze bevindingen. De overheid probeert hiermee de maatschappelijke verantwoordelijkheid te waarborgen en te voorkomen dat bestuurders van publieke instellingen onredelijke salarissen ontvangen. De discussie zal verder gaan over de exacte implementatie van deze wetgeving en de impact op de sector.
