Bruikleen als Alternatief voor Ontruiming: Juridische Nuances van Gebruiksovereenkomsten bij Woningcorporaties

In de Nederlandse vastgoedsector spelen woningcorporaties een cruciale rol bij de verhuur van sociale woningvoorzieningen. Een van de meest kritieke uitdagingen voor deze organisaties is het omgaan met huurders die in betalingsachterstand raken of zich niet aan de huurbedingen houden. Traditioneel leidt dit tot een procedure van ontbinding van de huurovereenkomst en daarnaar een ontruimingsvonnis. Echter, steeds vaker kiezen woningcorporaties voor een alternatieve route: het aangaan van een gebruiksovereenkomst, vaak aangeduid als een 'Laatste kans overeenkomst'. Deze overeenkomst vormt een juridisch instrument om ontruiming te voorkomen en de huurder een kans te geven zijn situatie te stabiliseren. Het gebruik van een bruikleenovereenkomst in deze context is echter niet zonder risico's, aangezien de grens tussen bruikleen en huur vaak dun is en de kwalificatie afhankelijk is van de feitelijke inhoud van de afspraken.

Het begrip 'Laatste kans overeenkomst' verwijst naar een specifieke vorm van gebruiksovereenkomst die wordt aangegaan tussen verhuurder en huurder na een vonnis tot ontruiming. Het doel is het voorkomen van een onomkeerbaar ingrijpende ontruiming. De toepassing van deze overeenkomst is een strategisch keuze voor woningcorporaties om te voldoen aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, aangezien een ontruiming voor de huurder vaak catastrofaal is. Het is echter cruciaal te begrijpen dat dit een gunst is en geen recht waar de huurder zich op kan beroepen. De rechter in Utrecht (LJN: BT2923) oordeelde expliciet dat een laatste kans geen recht is dat door de wet wordt gewaarborgd. De woningcorporatie heeft dus de vrijheid om dit instrument in te zetten of niet, afhankelijk van hun eigen beleid.

De dynamiek van deze overeenkomsten wordt verder ingewikkeld door de vraag of een dergelijke afspraak uiteindelijk kan omslaan in een huurovereenkomst. In de praktijk wordt vaak beloofd dat na een periode van twaalf maanden zal worden bezien of er een nieuwe huurovereenkomst zal worden gesloten. De regels rondom het 'passend toewijzen' maken dit echter moeilijk, zo niet onmogelijk voor veel woningcorporaties. Dit leidt ertoe dat corporaties in hun administratie vaak de oude, ontbonden huurovereenkomst laten staan, waardoor de status van de woonverhouding onduidelijk blijft. Een woningcorporatie moet daarom uitdrukkelijk aangeven in welke gevallen ze een laatste kans overeenkomst toepast en wat de voorwaarden zijn.

Om de complexiteit van deze juridische constructies volledig te doorgronden, is het noodzakelijk om de fundamentele verschillen tussen bruikleen en huur te analyseren. De kern van het onderscheid ligt in het concept van de 'tegenprestatie'. Bij een huurovereenkomst geeft de verhuurder een zaak in gebruik aan de huurder, waarbij de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie, doorgaans in de vorm van een huurprijs. Bij een bruikleenovereenkomst wordt de zaak gratis ter beschikking gesteld, met de verplichting om de zaak na gebruik of na een bepaalde termijn terug te geven.

De juridische definitie van bruikleen is vastgelegd in artikel 7:1777 BW. Dit artikel omschrijft bruikleening als een overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere partij een zaak om niet (gratis) ten gebruike geeft, onder voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt, deze na gebruik of na een bepaalden tijd terug zal geven. In tegenstelling tot een huurcontract, waarbij de tegenprestatie (de huurprijs) de kern vormt, bij bruikleen ontbreekt deze verplichte tegenprestatie. Het gaat dus om een kosteloos gebruik.

In de praktijk echter, is de benaming van een overeenkomst niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie. Een overeenkomst die formeel als 'bruikleenovereenkomst' wordt getiteld, kan door een rechter als huurovereenkomst worden gekwalificeerd als de feitelijke verplichtingen van de gebruiker zodanig zijn dat ze als een 'tegenprestatie' in de zin van artikel 7:201 lid 1 BW worden gezien. Het gaat dus om de inhoud van de afspraak, niet om de titel die erop staat.

De rechtspraak heeft hierover duidelijkheid gegeven. In een arrest van de Hoge Raad (11 februari 2011, NJ 2012, 73) wordt benadrukt dat het niet beslissend is of de overeenkomst elementen bevat die aan de wettelijke omschrijving van huur voldoen, maar of de inhoud en strekking van de overeenkomst, gelet op wat partijen voor ogen stonden bij het sluiten, hem als huurovereenkomst moeten worden aangeduid. Dit betekent dat zelfs als er geen geld wordt betaald, andere vormen van prestaties kunnen leiden tot een kwalificatie als huur.

Wat precies als een 'tegenprestatie' wordt beschouwd is een cruciaal punt. Een tegenprestatie hoeft niet per se uit het betalen van een geldsom te bestaan. Elke op geld waardeerbare tegenprestatie is gelijk te stellen aan het betalen van huur. Bijvoorbeeld: als de gebruiker verplicht wordt om investeringen in de ruimte te doen, of als alle onderhoud voor zijn rekening moet komen, wordt dit door de rechter gezien als een tegenprestatie. Dit kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een huurovereenkomst met alle daaruit volgende bescherming en regels, zoals de Huurlwet.

Anderzijds zijn er verplichtingen die geen huurkarakteriserende tegenprestatie vormen. De kantonrechter in Rotterdam oordeelde bijvoorbeeld dat het betalen van overheidsbelastingen, verbruikersvergoedingen voor gas, water en elektra, en het schoonhouden van het pand, slechts gezien kunnen worden als verplichtingen van een bruiklener om als 'goed huisvader' te zorgen voor de bewaring en het behoud van de geleende zaak. Deze verplichtingen worden niet als een tegenprestatie voor het gebruik beschouwd, maar als een natuurlijke plicht van degene die de zaak in bezit heeft.

Het risico voor woningcorporaties ligt in het feit dat een gebruiksovereenkomst na verloop van tijd kan omslaan in een huurovereenkomst. Wanneer dit punt in tijd wordt bereikt, kan een rechter oordelen dat er sprake is van een huurovereenkomst zonder dat nadere voorwaarden zijn opgenomen. Om dit te voorkomen, is het verstandig om in de gebruiksovereenkomst expliciet af te dichten wat er gebeurt wanneer het 'omslagpunt' wordt bereikt. De bepalingen uit de eerdere ontbonden huurovereenkomst en de huurvoorwaarden moeten dan als minimaal van toepassing worden beschouwd. Dit zorgt voor rechtszekerheid voor beide partijen.

Een specifiek scenario waarbij een bruikleenovereenkomst nuttig kan zijn, is wanneer een woning tijdelijk leegstaat omdat het pand zal worden gesloopt, gerenoveerd of verkocht. In dergelijke gevallen wil men voorkomen dat het pand wordt gekraakt of verloedert. Een bruikleenovereenkomst kan hieruitkomst bieden. Echter, het is niet mogelijk om een wezenlijk onderdeel van een verhuurde woning buiten de huurbeschermingsregels te plaatsen door voor dit onderdeel een afzonderlijk gebruiksrecht overeen te komen. De wet verbiedt dit om te voorkomen dat verhuurders probeerden de huurder te ontzien van hun rechten door de overeenkomst als bruikleen te noemen, terwijl de feitelijke situatie die van huur is.

Wanneer een huurovereenkomst eenmaal is ontbonden door een rechter, kan deze niet automatisch herleven. Ontbonden betekent daadwerkelijk ontbonden. Als men opnieuw een huurovereenkomst wil aangaan, moet deze opnieuw worden vastgelegd. Dit impliceert dat de route van het 'passend toewijzen' opnieuw moet worden gevolgd. Voor woningcorporaties levert dit administratieve rompslomp op, maar het is een noodzakelijk gevolg van de juridische ontbinding.

In de praktijk wordt vaak een belofte gedaan dat na een periode van 12 maanden zal worden bezien of er een nieuwe huurovereenkomst zal worden gesloten. Deze belofte wordt echter vaak niet waargemaakt door woningcorporaties, aangezien de regels voor passend toewijzen dit moeilijk maken. Daarom kiezen corporaties er vaak voor om in hun administratie de oude huurovereenkomst te laten staan, wat de rechtsverhouding verward maakt. Het is essentieel dat een woningcorporatie een duidelijk 'Laatste kans beleid' formuleert, waarin wordt aangegeven in welke gevallen een Laatste kans overeenkomst wordt toegepast.

Het is ook belangrijk om te beseffen dat een woningcorporatie niet alleen staat in dit proces. Een huurder met betalings- of andere problemen wordt doorgaans bijgestaan door de gemeente, die de schuldhulpverlening sinds 2012 in haar takenpakket heeft opgenomen. Dit betekent dat er een netwerk van ondersteuning bestaat rondom de huurder, wat kan bijdragen aan het slagen van de 'Laatste kans overeenkomst'.

De juridische nuances rondom bruikleen en huur zijn complex. De volgende tabel geeft een overzicht van de fundamentele verschillen tussen een bruikleenovereenkomst en een huurovereenkomst, gebaseerd op de juridische definities en jurisprudentie:

Kenmerk Bruikleenovereenkomst Huurovereenkomst
Wettelijke basis Artikel 7:1777 BW Artikel 7:201 BW
Tegenprestatie Geen (gratis gebruik) Ja, doorgaans een geldsom (huur)
Teruggeefplicht Ja, na gebruik of na bepaalde tijd Nee, gebruiksrecht blijft zolang de overeenkomst duurt
Kwalificatie-criterium Ontbreekt een op geld waardeerbare tegenprestatie Aanwezigheid van een tegenprestatie
Risico op huurkwalificatie Hoog, als er andere tegenprestaties zijn Laag, als het een echte huur is
Doel Tijdelijke gebruik, anti-kraak, onderhoud Lange termijn gebruik, inkomstenstroom

De tabel hierboven illustreert dat de aanwezigheid van een 'tegenprestatie' de sleutel is tot de kwalificatie. Als de gebruiker verplichtingen heeft die als tegenprestatie kunnen worden gezien (zoals investeringen of onderhoud), wordt de overeenkomst als huur gekwalificeerd, ongeacht de naam die op het contract staat. Dit is een belangrijk risico voor woningcorporaties die een bruikleenovereenkomst willen gebruiken om ontruiming te voorkomen. Als de overeenkomst door een rechter als huur wordt aangeduid, gelden alle regels van de Huurlwet, wat de flexibiliteit van de woningcorporatie beperkt.

Voor vastgoedondernemers of -stichtingen is het niet altijd de bedoeling om aan het gebruik te verdienen. In gevallen waar slechts onkosten worden verrekend, zoals bij 'anti-kraak', is een bruikleenovereenkomst de juiste keuze. Vastgoedstichtingen hebben primair andere doelen dan winst. In andere gevallen, waar men wel wil verdienen, wordt normaal gesproken een huurovereenkomst aangegaan. Het maken van de verkeerde afspraken kan leiden tot onduidelijkheid over de aard van de overeenkomst.

Een specifiek aspect is de vraag of een gebruiksovereenkomst na verloop van tijd automatisch in een huurovereenkomst verandert. De wet schrijft niet voor hoe lang een bruikleenovereenkomst mag duren voordat het als huur wordt gezien. Dit hangt af van de omstandigheden van het specifieke geval. Om dit risico te mitigeren, moet een woningcorporatie in de gebruiksovereenkomst uitdrukkelijk regelen wat er gebeurt als het 'omslagpunt' is bereikt. Het is raadzaam om vast te leggen dat de bepalingen uit de eerdere ontbonden huurovereenkomst en de huurvoorwaarden dan minimaal van toepassing zullen zijn.

De praktijk leert dat de benaming van een overeenkomst geen rol speelt bij de kwalificatie. Een overeenkomst getiteld 'bruikleenovereenkomst' kan toch als 'huurovereenkomst' worden aangeduid als de feitelijke verplichtingen van de gebruiker als tegenprestatie worden gezien. De rechter kijkt naar de substantie van de afspraken, niet naar de vorm.

In het licht van deze inzichten is het voor woningcorporaties essentieel om een gedetailleerd 'Laatste kans beleid' op te stellen. Dit beleid moet helder aangeven in welke gevallen een Laatste kans overeenkomst wordt toegepast, wat de voorwaarden zijn, en wat de gevolgen zijn indien de overeenkomst in een huurovereenkomst wordt omgezet. Zonder een duidelijk beleid kunnen corporaties onverwachte juridische consequenties ondervinden.

De samenwerking met de gemeente is ook van belang. Omdat de gemeente sinds 2012 de schuldhulpverlening in haar takenpakket heeft opgenomen, kunnen zij bij de ondersteuning van de huurder helpen. Dit betekent dat er een netwerk van hulpbestaant voor de huurder, wat de kans op succes van de 'Laatste kans overeenkomst' vergroot.

Ten slotte, het is cruciaal te benadrukken dat een 'Laatste kans' geen recht is waar de huurder zich op kan beroepen. Het is een gunst die de woningcorporatie aanbiedt. De kantonrechter in Utrecht (LJN: BT2923) heeft hierover duidelijkheid gegeven. Dit betekent dat de woningcorporatie de volledige autonomie heeft om te beslissen of ze deze route kiest.

Conclusie

De toepassing van een bruikleenovereenkomst, vaak aangeduid als 'Laatste kans overeenkomst', is een complex juridisch instrument dat woningcorporaties kunnen inzetten om ontruiming te voorkomen. De kern van de zaak ligt in het onderscheid tussen bruikleen en huur, bepaald door de aanwezigheid of afwezigheid van een 'tegenprestatie'. Hoewel de benaming van de overeenkomst niet doorslaggevend is, kan een bruikleenovereenkomst door een rechter als huurovereenkomst worden gekwalificeerd indien de gebruiker verplichtingen heeft die als tegenprestatie worden gezien, zoals investeringen of onderhoud.

Voor woningcorporaties is het essentieel om een duidelijk beleid op te stellen voor het gebruik van deze overeenkomsten. Dit beleid moet uitdrukkelijk regelen wat er gebeurt wanneer de overeenkomst na verloop van tijd in een huurovereenkomst kan veranderen. Het is raadzaam om in de contractuele afspraken op te nemen dat de bepalingen uit de eerdere ontbonden huurovereenkomst dan minimaal van toepassing zijn. Zonder dergelijke clausules riskeert de woningcorporatie dat er sprake komt van een huurovereenkomst zonder nadere voorwaarden, wat de administratieve en juridische complicaties met zich meebrengt.

De samenwerking met gemeenten, die sinds 2012 voor schuldhulpverlening verantwoordelijk zijn, biedt een waardevolle ondersteuning voor de huurder. Toch blijft het de woningcorporatie voorbehouden of ze een Laatste kans overeenkomst aangaan, aangezien het geen recht is waar de huurder zich op kan beroepen. De complexiteit van de grens tussen bruikleen en huur vereist een zorgvuldige opstelling van de overeenkomst en een helder intern beleid om ongewenste juridische uitkomsten te voorkomen.

Bronnen

  1. Janssen & Janssen: Hoe verder met de gebruiksovereenkomst na ontruimingsvonnis
  2. Den Hollander: Bruikleenovereenkomst model en toelichting
  3. Amice Advocaten: Bruikleen of Huur Overeenkomen

Related Posts