Code Rood voor de Sociale Woningbouw: Financiële Knelpunten, Wettelijke Kaders en Deelstrategieën

De Nederlandse woningmarkt staat aan het begin van een kritiek moment. Een combinatie van scherp stijgende bouwkosten, structurele tekorten in de middelen voor sociale woningbouw en een versterkt wettelijk kader voor toewijzing leidt tot wat de sector zelf "code rood" noemt. Deze term duidt op een alarmstatus waarbij de financiële haalbaarheid van het bouwen en verduurzamen van betaalbare woningen in gevaar komt. De situatie is niet beperkt tot enkele projecten, maar betreft een structureel probleem dat de regio's en het land als geheel raakt. Het gaat om een voorspelling van een tekort dat in 2024 al zichtbaar is en volgens schattingen tot miljarden euro's kan oplopen tegen 2035.

De kern van dit probleem ligt in de onhoudbare verhouding tussen inkomsten en uitgaven van woningcorporaties. De kosten voor materialen, arbeid en duurzaamheidsmaatregelen stijgen met een snelheid die de inkomsten uit huren niet kunnen bijbenen. Dit leidt tot een gat dat zich jaarlijks vergroot. Terwijl er een verplichting bestaat om tot 2035 jaarlijks 25.000 sociale huurwoningen te bouwen en tienduizenden bestaande woningen te verduurzamen, ontbreekt het financiële fundament om dit te realiseren. In de regio Haaglanden/Midden-Nederland/Rotterdam is de situatie het meest acute. Hier is naar schatting 24 miljard euro nodig voor sociale woningbouw en verduurzaming, terwijl het tekort al naar schatting 10 miljard euro bedraagt.

Dit financiële noodscenario wordt versterkt door het wettelijk kader rondom het toewijzen van sociale woningen. Het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (Btiv), dat per 1 juli 2015 het Besluit Beheer Sociale Huurwoningen (Bbsh) heeft vervangen, fungeert als de kapstok voor regelgeving waar corporaties zich aan moeten houden. Deze regels bepalen wie in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en welke inkomensgrenzen gelden. De complexe interplay tussen financiële haalbaarheid en wettelijke eisen vormt de basis voor de huidige "code rood"-situatie.

De Financiële Uitdagingen van de Sociale Woningbouw

De term "code rood" verwijst niet naar een specifieke gebeurtenis, maar naar een structurele situatie waarin de financiële middelen voor sociale woningbouw en verduurzaming ernstig tekortschieten. Dit is geen vooruitblik, maar een heden dat al in 2024 zijn intrede heeft gedaan. Een nieuw rapport van de koepel van de woningcorporaties Aedes en drie ministeries geeft een somber beeld. Het tekort ontstaat doordat de kosten harder stijgen dan de inkomsten die uit huren worden gegenereerd.

Een van de hoofdoorzaken voor dit tekort is de verhuurdersheffing, ook wel de belasting op sociale huurwoningen genoemd. Deze belasting wordt door de corporaties als te hoog beschouwd en draagt significant bij aan het financiële gat. Daarnaast stijgen de huren niet voldoende snel om de toenemende bouwkosten en onderhoudskosten te dekken. Het resultaat is een onevenwichtige balans die de realisatie van toekomstige projecten in gevaar brengt.

In de regio Haaglanden/Midden-Nederland/Rotterdam is de situatie het meest nijpend. Hier moet het meest gebeuren. De schattingen geven aan dat tot 2035 in totaal 24 miljard euro nodig is voor sociale woningbouw en verduurzaming. Het tekort voor deze regio wordt geschat op 10 miljard euro. Dit betekent dat een groot deel van de benodigde investeringen niet kan worden gefinancierd met de beschikbare middelen.

Op nationaal niveau is de doelstelling vastgesteld: tot 2035 moeten woningcorporaties jaarlijks 25.000 sociale huurwoningen bouwen. Daarnaast moeten er tienduizenden bestaande woningen verduurzaam worden gemaakt. De totale financiële kreet die hieruit voortkomt wordt geschat op 31 miljard euro. Dit betekent dat er een structureel tekort van miljarden euro's ontstaat dat niet door de huuropbrengsten gedekt kan worden.

De oorzaken van dit tekort zijn meervoudig. Naast de hoge verhuurdersheffing spelen stijgende bouwkosten en een beperkte mogelijkheid tot het verhogen van de huurprijzen een rol. De corporaties kunnen niet zomaar de huur verhogen, omdat ze gebonden zijn aan de DAEB-grens en andere wettelijke beperkingen. De combinatie van stijgende kosten en beperkte inkomsten leidt tot een situatie waarin het voortbestaan van de sociale woningbouw in gevaar komt.

Wettelijk Kader en Deelstrategieën: De Btiv-Regels

Terwijl de financiële situatie als "code rood" wordt aangeduid, is het wettelijk kader voor het toewijzen van woningen even complex en strikt. Het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (Btiv) uit 2015 vormt de hoeksteen van dit kader. Dit besluit heeft het oudere Besluit Beheer Sociale Huurwoningen (Bbsh) vervangen en regelt hoe woningcorporaties woningen moeten toewijzen. Het Btiv fungeert als een kapstok voor allerlei aanvullende regelgeving waar corporaties zich aan moeten houden.

Een centraal aspect van dit kader is het inkomenseis. Voor een aspirant-huurder die een sociale woning wenst te betrekken, gelden strenge inkomensgrenzen. De wet bepaalt dat corporaties een bepaald percentage van hun vrijkomende woningen moeten verhuren aan mensen met een inkomen onder de DAEB-grens (De Algemene Wet inzake Belastingen). Deze grens ligt momenteel tussen circa € 51.537 en € 56.910. Volgens artikel 16 van het Btiv geldt dat van alle sociale huurwoningen die een corporatie verhuurt, minstens 92,5% naar de DAEB-doelgroep moet gaan.

Er bestaat ook een variant waarbij dit percentage wordt verlaagd naar 85%. Dit is alleen toegestaan als de corporatie met de gemeente en de huurdersorganisatie prestatieafspraken heeft gemaakt (artikel 44 Woningwet). In dat geval heeft de corporatie 15% "vrije ruimte" om bijvoorbeeld mensen met middeninkomens te helpen. Dit percentage bepaalt wie er door de voordeur van de corporatie naar binnen mag komen en vormt een cruciale beperking voor de woningtoewijzing.

Naast de DAEB-regel bestaat er ook de "Budgetbewaker" of "Passend Toewijzen"-norm. Deze norm richt zich specifiek op de laagste inkomens binnen de doelgroep: de mensen die recht hebben op huurtoeslag. De wettelijke basis hiervoor is artikel 60 van het Btiv. Volgens deze regel moet de corporatie aan 95% van de huishoudens die recht hebben op huurtoeslag een woning toewijzen met een huur onder de aftoppingsgrens. Dit betekent dat corporaties een grote verantwoordelijkheid hebben om de goedkoopste woningen aan de meest kwetsbare groepen te verlenen.

De gegevensvereisten voor aspirant-huurders zijn eveneens streng gereguleerd. Conform artikel 56 lid 1 van het Btiv moet een aspirant-huurder de volgende gegevens overleggen: - Een door hem opgestelde en ondertekende verklaring over de samenstelling van zijn huishouden. - Gegevens waaruit het huishoudinkomen blijkt, of op grond waarvan dat inkomen zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk kan worden geschat. - Dit omvatten de aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting of de inkomensgegevens van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van ieder van die personen, over een van de twee kalenderjaren die direct voorafgaan aan het kalenderjaar waarin de overeenkomst van huur zou moeten ingaan.

In sommige gevallen kan van deze eisen worden afgeweken. Volgens artikel 56 lid 5 van het Btiv mag worden afgeweken als de functionaris van de rijksbelastingen schriftelijk heeft verklaard dat deze gegevens niet beschikbaar zijn. In dat geval kan de aspirant-huurder de volgende gegevens verstrekken: - Een door de huurder opgestelde en ondertekende inkomensverklaring waarin ten minste het door hem geschatte huishoudinkomen is opgenomen en, indien die verklaring melding maakt van het benutten van fiscale aftrekposten of van winst uit onderneming, stukken die aantonen dat die verklaring met betrekking tot die aspecten juist en volledig is. - Hetzij een jaaropgave van de werkgever of werkgevers of uitkerende instantie over het kalenderjaar dat direct voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de huurovereenkomst zou moeten ingaan.

Het is belangrijk om op te merken dat een huurder die in 2026 een huurwoning wenst te betrekken en een inkomensverklaring toont over 2024, niet in aanmerking komt voor deze woning als het inkomen te laag is. De wet vereist dus dat de inkomensgegevens van de twee jaar vóór de start van de huur overeenkomen met de eisen. Als de gegevens van het jaar vóór de start niet beschikbaar zijn, moet de aspirant-huurder andere bewijzen overleggen.

Toewijzing en Deelstrategieën in de Praktijk

De toewijzing van sociale woningen is niet alleen een administratieve taak, maar een proces dat wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder financiële beperkingen en wettelijke regels. In de praktijk komt het voor dat woningcorporaties bepaalde eisen stellen aan aspirant-huurders. Bijvoorbeeld, een verhuurder mag verlangen dat aspirant-huurders met veel schulden een verklaring kunnen overleggen van een WSNP-bewindvoerder of een officiële instantie die zich bezighoudt met schuldhulpverlening. In deze verklaring moet worden aangegeven dat er voldoende middelen zijn voor inrichting van de huurwoning en de huurbetaling. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, hoeft de corporatie de huurder niet te accepteren.

De rechterlijke praktijk heeft hierin een duidelijke lijn getrokken. Een kantonrechter te Rotterdam besliste in een kortgedingvonnis van 4 april 2016 dat een weigering van toewijzing gebaseerd op een antecedentenonderzoek gerechtvaardigd kan zijn. In dit geval had de verhuurder de toewijzing van een woning geweigerd aan een kandidaat-huurder. De weigering was gebaseerd op een antecedentenonderzoek. De rechter bevestigde dat een corporatie zich hierop kan baseren.

Daarnaast bestaat er een specifieke situatie waarbij een corporatie gedwongen kan worden een huurder, ten aanzien waarvan een ontruiming wegens overlast heeft plaatsgevonden, elders in een project voor begeleidend wonen te plaatsen. Dit betekent dat de corporatie de huurder moet plaatsen in een project waarbij de huurder moet mee werken aan de oplossing van zijn problemen. Dit is een uitzonderlijke situatie die alleen geldt voor sociale verhuurders en niet voor particuliere verhuurders. Een dergelijke voorwaarde zou een particuliere verhuurder niet opgelegd kunnen krijgen. Een corporatie verkeert door haar bijzondere positie in een andere situatie dan een particuliere verhuurder en zal dus gehouden kunnen worden aan aspirant-huurders woonruimte te verstrekken.

Een belangrijk aspect van de toewijzing is de code rood-status. In sommige gevallen is er sprake van een code rood die door de politie is afgegeven. In een specifieke casus had de aspirant-huurder geen openheid gegeven over deze code rood. De verhuurder had vervolgens deze woning niet aan de huurder aangeboden. De aspirant-huurder was het met deze afwijzing niet eens. Omdat de aspirant-huurder echter in deze procedure ook geen openheid gaf over de afgegeven code rood, kon de afwijzing niet inhoudelijk beoordeeld worden. Dit betekent dat niet kon worden vastgesteld of er sprake was van een onterechte weigering van de verhuurder de woning aan de huurder aan te bieden.

De Overlegwet biedt beperkte hulp aan aspirant-huurders. Deze wet zal de aspirant-huurder niet kunnen helpen om informatie te verkrijgen, omdat deze persoon nog geen huurder is. De aspirant-huurder zal wel de huurdersinformatie om deze informatie kunnen vragen. De huurdersorganisatie kan de verhuurder wél verzoeken deze gegevens te verschaffen.

Samenvatting van de Wettelijke Normen en Eisen

Om de complexiteit van de huidige situatie duidelijk te maken, zijn de belangrijkste wettelijke normen en eisen samengevat in onderstaande tabel. Deze tabel biedt een overzicht van de regels die van toepassing zijn op woningcorporaties en aspirant-huurders.

Regeling / Artikel Inhoud Doel
Artikel 16 Btiv 92,5% van vrijkomende woningen moet gaan naar mensen met inkomen onder de DAEB-grens (€ 51.537 - € 56.910). Zorgen dat sociale woningen toegankelijk blijven voor mensen met laag tot middeninkomen.
Artikel 44 Woningwet Als prestatieafspraken zijn gemaakt, mag het percentage naar 85% worden verlaagd (15% vrije ruimte). Flexibiliteit bieden aan corporaties om ook mensen met hoger inkomen te helpen, mits overeenstemming is bereikt.
Artikel 60 Btiv 95% van de huishoudens met recht op huurtoeslag moet een woning met huur onder de aftoppingsgrens krijgen. Zorgen dat de meest kwetsbare groep (huurtoeslaggerechtigden) een betaalbare woning krijgt.
Artikel 56 lid 1 Btiv Eisen voor inkomensgegevens: huishoudensamenstelling en inkomensgegevens van de twee jaar vóór de start van de huur. Zorgen dat alleen mensen met een inkomen onder de grens een sociale woning krijgen.
Artikel 56 lid 5 Btiv Mogelijkheid om af te wijken als de functionaris van de rijksbelastingen aangeeft dat gegevens niet beschikbaar zijn. Flexibiliteit bieden bij ontbrekende gegevens, met alternatieve bewijzen.
Artikel 118a Woningwet Hardheidsclausule per 1 januari 2022. Toestaan om in specifieke casussen van de wet af te wijken.

Deze normen vormen een strikt kader waarbinnen woningcorporaties hun werk moeten verrichten. Het is duidelijk dat het toewijzingsproces niet alleen afhankelijk is van de beschikbare middelen, maar ook van de strikte inkomenseisen.

Conclusie

De term "code rood" voor de sociale woningbouw is geen leeg staand begrip, maar een realiteit die de financiële haalbaarheid van het bouwen en verduurzamen van betaalbare woningen in gevaar brengt. Het tekort van miljarden euro's, dat in 2024 al zichtbaar is en tot 2035 kan oplopen, is het gevolg van een structurele disbalans tussen kosten en inkomsten. De stijgende bouwkosten en de hoge verhuurdersheffing maken het onmogelijk om de doelstellingen van 25.000 nieuwe sociale woningen per jaar te halen zonder een tekort dat de regio's en het land als geheel raakt.

In de regio Haaglanden/Midden-Nederland/Rotterdam is de situatie het meest acute. Hier is een tekort van geschatte 10 miljard euro binnen het benodigde totaal van 24 miljard euro. Dit betekent dat een groot deel van de benodigde investeringen niet kan worden gefinancierd met de beschikbare middelen. Dit is een direct gevolg van de financiële druk op de corporaties.

Parallel aan dit financiële noodscenario staat het strikte wettelijk kader van het Btiv. Dit besluit bepaalt welke inkomensgrenzen gelden, welke percentages van woningen naar welke doelgroepen moeten gaan, en welke gegevens een aspirant-huurder moet overleggen. De regels voor toewijzing zijn complex en vereisen een nauwkeurige administratie en controle. De verplichting om 92,5% van de woningen naar de DAEB-doelgroep te richten, en de eis om 95% van de huurtoeslaggerechtigden een goedkope woning te geven, betekent dat corporaties een zware verantwoordelijkheid dragen.

De combinatie van financiële tekorten en strikte wettelijke regels creëert een situatie waarin de sociale woningbouw in gevaar komt. De term "code rood" vatte deze situatie perfect samen. Het is een signaal dat er dringende actie nodig is om de financiering van sociale woningbouw te garanderen. Zonder ingrijpende maatregelen zal het tekort blijven groeien en zullen de doelstellingen voor sociale woningbouw niet gehaald kunnen worden.

Bronnen

  1. Woningcorporatie Woonstad: 'Code rood voor sociale woningbouw Rotterdam'
  2. Code rood voor woningbouw bij rivieren en uiterwaarden
  3. Beperkingen aan verhuringen door woningcorporaties

Related Posts