Exit Yield bij Woningcorporaties: Beleidswaarde, Eindwaarde en de Impact van Onderhoud

De waardering van vastgoed voor woningcorporaties is een complex proces waarin de keuze van de methode voor het bepalen van de eindwaarde fundamentele gevolgen heeft voor de financiële positie van de organisatie. Centraal in dit proces staat het concept van de exit yield, een sleutelvariabele die bepaalt hoe een vastgoedobject wordt gewaardeerd aan het einde van de exploitatieperiode. Voor corporaties is dit geen abstracte financiële term, maar een directe bepaler van de beleidswaarde, de solvabiliteit en de verhouding tussen leningen en vermogen (LTV). De wijze waarop de eindwaarde wordt berekend – ofwel via een netto contante waarde van eeuwigdurende kasstromen volgens het handboek, ofwel door toepassing van een verhoudingsgetal op de huurinkomsten – leidt tot significante verschillen in de uiteindelijke vermogensratio's.

In de praktijk wordt de exit yield gebruikt om de restwaarde van een gebouw aan het einde van de exploitatie te bepalen. Deze yield is vergelijkbaar met het Bruto Aanvangsrendement (BAR), maar terwijl de BAR kijkt naar de beginfase van de investering, richt de exit yield zich op de situatie aan het einde van de looptijd. De berekening ervan vereist vaak het analyseren van vergelijkbare panden op vergelijkbare locaties met een specifiek ouderdomsprofiel, bijvoorbeeld een leeftijd van 50 jaar. De hoogte van de exit yield wordt afgeleid uit de verhouding tussen de markthuur en de marktwaarde van een dergelijk verouderd object.

Het probleem ligt vaak in de beschikbare data. Het verzamelen van voldoende gegevens van vergelijkbare transacties met een hoge ouderdom is moeilijk, wat de inschatting van de exit yield complex maakt. De formule voor de restwaarde (VON) aan het einde van de exploitatie (tijd t) is:

$$ \text{Restwaarde}t = \frac{\text{Markthuur}t}{\text{Exit Yield}} $$

In deze formule wordt de markthuur gedeeld door de exit yield om de eindwaarde te vinden. Deze benadering impliceert dat de eindwaarde gelijk is aan een vastvoud van de huur. Een exit yield van 10% resulteert dus in een eindwaarde van 10 keer de huur. Bij deze methode spelen exploitatiekosten geen rol bij de bepaling van de eindwaarde, in tegenstelling tot andere methodieken waar deze kosten wel meewegen.

De Twee Werelden van Waardering: Handboek versus Exit Yield

Een cruciaal onderscheid bestaat tussen de manier waarop het "handboek" de eindwaarde berekent en de aanpak met de exit yield. Deze twee methoden kunnen leiden tot sterk afwijkende uitkomsten voor de beleidswaarde, wat direct doorwerkt in de financiële gezondheidscontrole van de corporatie.

In de benadering van het handboek wordt de eindwaarde bepaald op basis van een netto contante waarde berekening van eeuwigdurende exploitatie kasstromen. Dit betekent dat alle toekomstige inkomsten en kosten worden afgezet tegen een disconteringsvoet om de huidige waarde te vinden. Een dergelijke berekening houdt rekening met de volledige levenscyclus van het gebouw, inclusief de toename van onderhoudskosten naarmate het pand veroudert.

Daarentegen hanteert de exit yield benadering een meer directe verhouding: de eindwaarde wordt bepaald door 'x keer de huur' te berekenen. Als de exit yield 8,25% bedraagt, is de eindwaarde ongeveer 12 keer de huur. In deze methode worden exploitatiekosten uitgesloten uit de berekening van de eindwaarde zelf.

Het effect van deze keuze is duidelijk zichtbaar in praktijkvoorbeelden. Bij een analyse waarbij alle parameters gelijk zijn, maar de methode van eindwaardeberekening verschilt, kunnen de uitkomsten dramatisch afwijken. In één scenario leidt de toepassing van het handboek tot een eindwaarde die neerkomt op het dubbele van de huur, wat neerkomt op een exit yield van 50%. Dit wordt veroorzaakt door de stijgende onderhoudskosten die na 15 jaar aanzienlijk omhoog gaan om het verouderingseffect tegen te gaan.

De dynamiek van onderhoudskosten is hierbij cruciaal. Na jaar 15 gaan de onderhoudskosten bij corporaties vaak aanzienlijk omhoog. Het marktonderhoud wordt verdubbeld en het beleidsonderhoud wordt verhoogd met het marktonderhoud. Dit extra onderhoud zet de exploitatiekasstroom, die al matig was, verder onder druk. Als de netto beleidskasstromen na jaar 15 nauwelijks positief zijn, leidt de toepassing van het waarderingshandboek tot een zeer lage eindwaarde. Dit komt omdat de hoge kosten de toekomstige kasstromen sterk verminderen.

Aan de andere kant, de exit yield van de taxateur kan beduidend hoger zijn, bijvoorbeeld een waarde die neerkomt op ongeveer 12 keer de huur (wat correspondeert met een yield van circa 8,25%). Deze discrepantie illustreert hoe verschillende uitgangspunten voor het bepalen van de marktwaarde een vergelijkbare marktwaarde kunnen opleveren, maar wel een sterk afwijkende beleidswaarde. Aangezien LTV (Loan to Value) en solvabiliteit op de beleidswaarde worden bepaald, is dit een serieus aandachtspunt voor bestuurders van woningcorporaties.

De Rol van de Exit Yield in Beleidswaarde en Solvabiliteit

De beleidswaarde is de sleutel tot de financiële stabiliteit van een woningcorporatie. Sinds 2019 bepalen de WSW en het ILT-Aw de vermogensratio's op basis van deze beleidswaarde. De precieze wijze waarop deze waarde tot stand komt, is dus van groot belang. De keuzes in de uitwerking van de waardering hebben een aanzienlijke impact op de berekende waarde.

Wanneer er sprake is van een gewijzigde exploitatie, is de benadering die start vanuit de BAR en een verouderingsopslag toevoegt minder bruikbaar. In zo'n geval kunnen de kasstromen en het risicoprofiel wijzigen. Het raadplegen van referenties kan dan uitkomst bieden. Een veelgebruikte benadering voor de exit yield is namelijk om te starten vanuit het bruto aanvangsrendement (BAR) – de verhouding tussen vastgoedopbrengsten en waarde in het eerste prognosejaar – en deze te vermeerderen met een jaarlijkse verouderingsopslag.

De exit yield is onder meer afhankelijk van het type vastgoed en het type exploitatie, oftewel het risicoprofiel. Bij couranter vastgoed met een langere levensduur, wat sterk lijkt op reguliere woningen, is het zinvol om te werken met een eindwaarde op basis van een exit yield. Bij specifiek zorgvastgoed met een relatief beperkte levensduur is echter vaak een andere aanpak gebruikelijker. Veel zorginstellingen kiezen ervoor om de prognoseperiode gelijk te stellen aan de verwachte exploitatieperiode/levensduur van het betreffende vastgoedobject. Met betrekking tot de eindwaarde wordt dan verondersteld dat de opstallen volledig worden afgeschreven en dat alleen de grond blijvend waarde vertegenwoordigt.

De keuze voor de exit yield methode is dus sterk afhankelijk van het objecttype en de verwachte toekomstige exploitatie. Bij het rekenen aan renovaties en sloop/nieuwbouw komt echter de vraag naar voren op welke wijze er wordt omgegaan met de waardering en exploitatie van de huidige situatie. Het te slopen/renoveren complex kan worden gedefinieerd als een bestaande exploitatie die wordt opgeofferd. De huidige waarde wordt meegenomen bij de investeringskosten en vervolgens ontstaat een nieuwe exploitatie die met deze totale kosten in relatie wordt gebracht.

De meest zuivere manier om het rendement van een investering te bepalen gaat uit van de zogenaamde deltamethodiek. Hierbij wordt alleen naar de stichtingskosten gekeken en de mutatie (de 'delta') die als gevolg van de investering ontstaat ten opzichte van de 'oude' situatie. Deze wijzigingen kunnen zowel betrekking hebben op de exploitatiekasstromen als de eindwaarde. Als de inbrengwaarde wordt meegenomen, dan bestaat het rendement uit een mix van het rendement van de extra geïnvesteerde euro en het rendement van de euro van het bestaande bezit dat wordt aangepakt. Dit is een belangrijk onderscheid bij het evalueren van grote renovatieprojecten of sloop- en nieuwbouwprojecten.

Vergelijking van Waarderingsmethoden en Uitkomsten

Om het effect van de verschillende methodieken inzichtelijk te maken, is het nuttig om de uitkomsten van een praktisch voorbeeld te analyseren. In dit voorbeeld wordt gekeken naar een complex waarbij alle parameters gelijk zijn, met als enige variabele de methode van eindwaardeberekening.

Parameter Methode 1: Het Handboek Methode 2: Exit Yield (Taxateur)
Berekeningswijze Netto contante waarde van eeuwigdurende kasstromen Verhouding van huur en yield (x maal de huur)
Rol van exploitatiekosten Worden meegenomen in de kasstroom Spelen geen rol in de eindwaarde
Onderhoudsdynamiek Hoge onderhoudskosten na jaar 15 drukken kasstroom Geen directe impact op de berekening
Resultaat Eindwaarde 2x de huur (Exit yield 50%) ~12x de huur (Exit yield 8,25%)
Impact Beleidswaarde Zeer lage eindwaarde Bovenste berekening leidt tot hogere waarde

Uit dit voorbeeld blijkt dat de keuze voor het handboek kan leiden tot een extreem hoge berekende exit yield (50%), wat een zeer lage eindwaarde impliceert. Dit komt doordat het handboek de stijgende onderhoudskosten meeneemt in de berekening van de netto kasstromen. Na jaar 15 gaan de onderhoudskosten aanzienlijk omhoog, wat de netto beleidskasstromen nauwelijks positief maakt.

De exit yield methode, zoals opgegeven door de taxateur, negeert deze kosten in de eindwaardeberekening. Hierdoor ontstaat een significante discrepantie. De eindwaarde volgens de exit yield is ongeveer 12 keer de huur, terwijl de methode van het handboek slechts 2 keer de huur oplevert. Dit is een factor van 6 verschil.

Deze verschillen zijn niet zomaar cijfertrucjes; ze bepalen de solvabiliteit van de corporatie. Aangezien de LTV (Loan to Value) en de solvabiliteitsscores worden berekend op basis van de beleidswaarde, leiden deze verschillende waarden tot drastisch verschillende financiële rapportages. Als de beleidswaarde laag is door het toepassen van het handboek, kan dit de solvabiliteit verslechteren en de toegang tot financiering bemoeilijken.

De Dynamiek van Onderhoud en Veroudering

Een van de kernpunten in de discussie rondom de exit yield en de beleidswaarde is de behandeling van onderhoudskosten in de loop van de tijd. Bij woningcorporaties komt het regelmatig voor dat na jaar 15 de onderhoudskosten aanzienlijk omhoog gaan om het verouderingseffect tegen te gaan.

Dit fenomeen heeft directe gevolgen voor de berekening volgens het handboek. Het marktonderhoud wordt verdubbeld en het beleidsonderhoud wordt verhoogd met het marktonderhoud. Dit is een keuze die vaak wordt gemaakt door financiële adviseurs en taxateurs. Dit extra onderhoud zet de toch al matige corporatie exploitatiekasstroom verder onder druk.

Wanneer de netto beleidskasstromen na jaar 15 nauwelijks positief zijn, leidt de toepassing van het waarderingshandboek tot een zeer lage eindwaarde. Dit komt doordat de disconteringsmethode van het handboek deze toename in kosten direct vertaalt naar een lagere contante waarde. De formule voor de restwaarde in de exit yield benadering is echter:

$$ \text{Restwaarde}t = \frac{\text{Markthuur}t}{\text{Exit Yield}} $$

In deze benadering spelen exploitatiekosten geen rol. Dit creëert een fundamenteel verschil: de exit yield benadering baseert de waarde puur op de opbrengst (huur) en een risicopremie (yield), zonder rekening te houden met de stijgende onderhoudskosten die de kasstroom beïnvloeden.

Voor een corporatie is dit een kritiek punt. Als de onderhoudskosten stijgen, daalt de kasstroom volgens het handboek. Als de kasstroom daalt, daalt de eindwaarde. Maar bij de exit yield blijft de eindwaarde stabiel, gebaseerd op de huidige huur en de verwachte yield, ongeacht de toekomstige kosten. Dit betekent dat de keuze van de methode direct de berekende vermogensbasis beïnvloedt.

Toepassing bij Renovatie en Sloop/Nieuwbouw

Bij het rekenen aan renovaties en sloop/nieuwbouw komt de vraag naar voren op welke wijze er wordt omgegaan met de waardering en exploitatie van de huidige situatie. Het te slopen/renoveren complex kan worden gedefinieerd als een bestaande exploitatie die wordt opgeofferd.

De meest zuivere manier om het rendement van een investering te bepalen gaat uit van de zogenaamde deltamethodiek. Hierbij wordt alleen naar de stichtingskosten gekeken en de mutatie (de 'delta') die als gevolg van de investering ontstaat ten opzichte van de 'oude' situatie. Deze wijzigingen kunnen zowel betrekking hebben op de exploitatiekasstromen als de eindwaarde.

Als de inbrengwaarde wordt meegenomen, dan bestaat het rendement uit een mix van het rendement van de extra geïnvesteerde euro en het rendement van de euro van het bestaande bezit dat wordt aangepakt. Dit is een belangrijke nuance, want het betekent dat de totale investering bestaat uit de kosten van de nieuwe bouw plus de waarde van het oude complex dat wordt opgeofferd.

De huidige waarde wordt meegenomen bij de investeringskosten en vervolgens ontstaat een nieuwe exploitatie die met deze totale kosten in relatie wordt gebracht. Dit vereist een zorgvuldige berekening van de huidige situatie, waarbij de exit yield van het oude object een sleutelrol speelt.

Bij het bepalen van de exit yield voor een nieuw object na renovatie of nieuwbouw, moet rekening worden gehouden met het type vastgoed en het type exploitatie. Een door taxateurs frequent toegepaste benadering is te starten vanuit het bruto aanvangsrendement (BAR) – de verhouding tussen vastgoedopbrengsten en waarde in het eerste prognosejaar – en deze te vermeerderen met een jaarlijkse verouderingsopslag.

Indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie is deze benadering echter minder bruikbaar, omdat de kasstromen en het risicoprofiel wijzigen. Het raadplegen van referenties kan hierin uitkomst bieden. Dit betekent dat voor nieuwe bouwwerken of zware renovaties vaak een nieuwe basis moet worden gelegd voor de exit yield berekening.

Conclusie

De exit yield is niet slechts een financiële parameter, maar een bepalende factor voor de strategie van woningcorporaties. De keuze tussen de methode van het handboek en de methode van de exit yield leidt tot fundamenteel verschillende eindwaarden, wat directe impact heeft op de berekende solvabiliteit en de LTV.

Terwijl het handboek de stijgende onderhoudskosten en veroudering meeneemt in de berekening van de netto contante waarde, negeert de exit yield benadering deze kosten en baseert de waarde puur op de verhouding tussen huur en yield. Dit kan leiden tot een enorm verschil in de berekende eindwaarde: van een zeer lage waarde bij het handboek tot een veel hogere waarde bij de exit yield.

Voor bestuurders van corporaties is het cruciaal om te begrijpen dat de beleidswaarde, waarop de financiële ratio's worden gebaseerd, gevoelig is voor de gekozen berekeningsmethode. De keuze voor de exit yield kan een corporatie een hogere vermogenswaarde geven, maar het handboek kan een meer realistisch beeld schetsen van de toekomstige kasstromen in een verouderd pand.

De dynamiek van onderhoudskosten na jaar 15 is hierbij een sleutelfactor. Naarmate het pand ouder wordt, stijgen de kosten drastisch. Dit wordt in de exit yield methode niet meegewogen in de eindwaarde, terwijl het handboek dit wel doet. Dit betekent dat de keuze van de methode niet zomaar een technische keuze is, maar een strategische beslissing met directe gevolgen voor de financiële rapportage van de corporatie.

Bronnen

  1. Exit Yield Definitie en Berekening
  2. Beleidswaarde Verhogen: Geen Probleem
  3. Opstellen Rendementsberekeningen

Related Posts