In tijden van economische onzekerheid en crisis is het van groot belang dat overheden snelle en doeltreffende maatregelen op poten zetten om het bedrijfsleven en de individuele financiële situaties te ondersteunen. Tijdens de coronapandemie introduceerde het Nederlandse kabinet de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Zelfstandig Ondernemers (Tozo), een noodmaatregel om zelfstandigen financieel te steunen. Een van de belangrijkste aandachtpunten bij deze regeling was de afwijking van de zogenaamde kostendelersnorm, die normaal gesproken van toepassing is bij het bepalen van het recht op bijstand. In dit artikel wordt ingegaan op de achtergronden van de Tozo, de rol van de kostendelersnorm en de juridische en fiscale implicaties van het niet toepassen ervan.
Inleiding
De Tozo-regeling was een tijdelijke steunmaatregel die gericht was op zelfstandigen en hun bedrijven die door de coronacrisis in financiële problemen raakten. Aan de regeling was een reeks voorwaarden verbonden, en een van de belangrijkste was de afwijking van de kostendelersnorm. Deze norm, die uit de Participatiewet komt, bepaalt dat bij het bepalen van het recht op bijstand rekening moet worden gehouden met het aantal volwassenen in het huishouden die de kosten delen. Doordat deze norm niet werd toegepast bij de Tozo, kon bijstandsneming sneller worden uitgevoerd, wat vanwege de tijdsdruk in tijden van crisis van essentieel belang was.
De Tozo had als doel om zelfstandigen in financiële nood zo snel mogelijk te ondersteunen en inkomenszekerheid te bieden. Om dit doel te bereiken, was de snelle uitvoerbaarheid door gemeenten een prioriteit. Dit leidde onder andere tot de keuze om de kostendelersnorm buiten toepassing te laten bij de regeling. In deze bijdrage worden deze aandachtpunten verder verduidelijkt.
De Tozo-regeling in kaart gebracht
De Tozo-regeling was een noodmaatregel die gericht was op zelfstandigen, zzp’ers en directeuren-grootaandeelhouders (DGAs) van BV’jes. Deze groepen werden geselecteerd omdat zij bijzonder kwetsbaar waren voor de economische gevolgen van de coronapandemie. De regeling bestond uit twee onderdelen: een inkomensondersteuning en een lening voor bedrijfskapitaal. Deze ondersteuning kon worden aangevraagd bij de gemeente en was gebaseerd op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz).
Doelgroep en voorwaarden
De regeling was bedoeld voor:
- Zelfstandigen met personeel;
- Zzpers;
- DGAs van een BV.
Om aanspraak te maken op Tozo, moesten deze groepen aan een aantal voorwaarden voldoen:
- Minimaal 18 jaar oud zijn en jonger dan AOW-leeftijd;
- Nederlands staatsburger of gelijkgesteld;
- In Nederland woonachtig zijn en het bedrijf in Nederland gevestigd hebben, of de hoofdzakelijke werkzaamheden in Nederland verrichten;
- Minstens 1.225 uur per jaar (ongeveer 24 uur per week) werkzaam zijn als zelfstandige.
Een van de belangrijkste kenmerken van de Tozo-regeling was dat de eis van levensvatbaarheid van het bedrijf en de vermogenstoets bij de aanvraag van levensonderhoud niet gold. Dit maakte de regeling toegankelijker voor zelfstandigen die in tijden van crisis hun bedrijf niet langer op de gebruikelijke manier konden draaien.
De kostendelersnorm en de Tozo
De kostendelersnorm is vastgelegd in artikelen 19a en 22a van de Participatiewet. Deze norm bepaalt dat bij het bepalen van het recht op bijstand rekening moet worden gehouden met het aantal volwassenen in het huishouden dat de levensonderhoudskosten deelt. Doordat deze norm normaal gesproken van toepassing is, kan bijstandsneming worden verlaagd wanneer partners of andere volwassenen in het huishouden wonen en kosten delen.
Bij de Tozo-regeling is deze norm echter niet toegepast. Dit gebeurde op grond van uitsluitend uitvoeringstechnische redenen. Het doel was om de regeling zo snel mogelijk te kunnen implementeren en uitvoeren, iets dat in tijden van crisis van essentieel belang was. De keuze om de kostendelersnorm niet toe te passen, was dus geen juridisch of beleidsmatig besluit, maar een praktische keuze om de regeling sneller te kunnen uitvoeren.
Deze afwijking van de norm betekent dat de Tozo-uitkering niet werd verlaagd wanneer partners of andere volwassenen in het huishouden woonden. Dit maakte de regeling toegankelijker en voorkwam administratieve complexiteit in tijden van hoge druk.
Gezamenlijk recht en fiscale implicaties
Een van de juridische aspecten die bij de Tozo-regeling aan de orde kwam, was de vraag of de uitkering van Tozo-1 bij partners gezamenlijk werd toegerekend. Bij de Tozo-1 was bepaald dat partners gezamenlijk recht op de uitkering hadden. Dit betekent dat zowel de ondernemer als de partner aanspraak konden maken op de uitkering.
Hoewel de uitkering niet verlaagd werd door het delen van kosten, leidde dit wel tot fiscale gevolgen. Aangezien partners gezamenlijk recht hadden op de Tozo-1-uitkering, werd de helft van de uitkering belast bij de partner. In een specifieke rechtszaak waarin dit punt ter discussie stond, oordeelde de rechtbank dat dit terecht was. De man, die mede-rechthebbende was, moest dus belasting betalen over zijn aandeel in de uitkering, ook al had hij persoonlijk niets ontvangen op zijn rekening.
Rechtspraak
In een zaak voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant was sprake van een situatie waarin een vrouwelijke ondernemer de Tozo-1-uitkering had ontvangen. De rechter oordeelde dat het aandeel van de partner terecht belast was. Hoewel de man geen geld op zijn rekening had ontvangen, was hij toch mede-rechthebbende en moest hij dus belasting betalen over zijn deel.
Deze rechtspraak benadrukt de belastingrechtelijke implicaties van de Tozo-regeling, en hoe belangrijk het is om bij dergelijke steunmaatregelen de belastbaarheid van uitkeringen in overweging te nemen. De regeling is immers niet alleen van invloed op de uitvoerbaarheid, maar ook op de fiscale verantwoordelijkheid van de rechthebbenden en hun partners.
Verlenging en aanpassing van de Tozo-regeling
Aanvankelijk was de Tozo-regeling geldig tot 1 juni 2020. In het licht van de verder lopende coronacrisis besloot het kabinet om de regeling verder te verlengen. In mei 2020 werd besloten om de periode waarin bijstand op grond van de Tozo kon worden aangevraagd te verlengen tot 1 juli 2021. Later werd deze termijn nogmaals uitgesteld, tot 30 september 2021, om te zorgen dat zelfstandigen gedurende de hele crisisperiode ondersteund konden worden.
De verlenging van de Tozo-regeling werd gepaard met enkele aanpassingen. Zo werd de nadruk verder gelegd op het activerende karakter van de regeling. Dit houdt in dat de regeling niet alleen gericht was op het bieden van financiële ondersteuning, maar ook op het herstel en de herstart van het bedrijfsleven. Daarnaast werden de voorwaarden bij de lening voor bedrijfskapitaal versoepeld, waardoor zelfstandigen makkelijker toegang hadden tot financiële hulp bij liquiditeitsproblemen.
Belastingrecht en de Tozo-uitkering
De Tozo-uitkering had juridische en fiscale gevolgen voor de rechthebbenden. In het kader van de regeling werd het vermogen van de zelfstandige buiten beschouwing gelaten, wat betekent dat de hoogte van de uitkering niet afhankelijk was van het vermogen van de ondernemer. Dit maakte de regeling toegankelijker voor zelfstandigen met een beperkt vermogen of zonder vermogen.
De keuze om de kostendelersnorm niet toe te passen had ook gevolgen voor de belastbaarheid van de uitkering. Aangezien partners gezamenlijk recht hadden op de Tozo-1-uitkering, werd de helft van de uitkering belast bij de partner. Deze belastbaarheid was bevestigd door een rechtszaak waarin de rechtbank oordeelde dat dit terecht was. Hoewel de partner geen geld op zijn rekening had ontvangen, was hij toch mede-rechthebbende en moest hij belasting betalen over zijn aandeel.
Juridische en administratieve afwijkingen
De Tozo-regeling was een afwijking van de normale regels voor bijstandsverlening aan zelfstandigen. Aangezien de regeling een tijdelijke noodmaatregel was, waren de regels en voorwaarden minder streng dan bij normale bijstandsregelingen. Dit betekent dat de Tozo niet volledig conform de Participatiewet was, maar dat de regeling wel anticipatief was uitgevoerd met het oog op het opstellen van een formeel wettelijke grondslag.
Deze afwijking had consequenties voor de wetsconformiteit van de regeling. De Tweede Kamer was op de hoogte gebracht van het feit dat de kostendelersnorm niet was toegepast, en dat dit zou worden gecorrigeerd met een wetsvoorstel. Het idee was om de regeling op een juridisch betere basis te plaatsen zodat er geen twijfel was over de geldigheid van de uitkeringen.
In het kader van deze aanpassingen werd de Tijdelijke Wet COVID-19 Justitie en Veiligheid gewijzigd. Deze wijziging was gericht op het oplossen van administratieve en juridische kwesties rondom de Tozo-regeling.
Toekomstige implicaties en evaluatie
Hoewel de Tozo-regeling een noodmaatregel was, heeft ze een grote impact gehad op het bedrijfsleven in Nederland. De regeling heeft zelfstandigen geholpen om hun bedrijf in stand te houden en heeft zo bijgedragen aan de economische stabiliteit in tijden van crisis. De afwijkingen in de regeling, zoals het niet toepassen van de kostendelersnorm en het gezamenlijk recht op uitkeringen voor partners, zijn op verschillende punten onderworpen aan juridische en fiscale evaluatie.
De rechtspraak heeft duidelijk gemaakt dat de belastbaarheid van de uitkeringen bij partners terecht was. Dit benadrukt de complexiteit van tijdelijke regelingen in tijden van crisis. Hoewel het doel van dergelijke regelingen is om snelle hulp te bieden, kan het ook leiden tot onverwachte juridische en fiscale gevolgen die aandacht verdienen.
De Tozo-regeling toont aan dat in tijden van crisis flexibiliteit en snelle uitvoering belangrijk zijn. Echter, het is eveneens belangrijk om zorgvuldig te overwegen welke regels worden afgeweken en wat de gevolgen daarvan zijn voor rechthebbenden en hun partners. Het is te hopen dat deze ervaring leert hoe dergelijke regelingen in de toekomst op een evenwichtiger manier kunnen worden uitgevoerd.
Conclusie
De Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Zelfstandig Ondernemers (Tozo) was een noodmaatregel die gericht was op het ondersteunen van zelfstandigen in tijden van coronacrisis. Een van de belangrijkste aandachtpunten bij deze regeling was het niet toepassen van de kostendelersnorm, een norm die normaal gesproken van toepassing is bij het bepalen van het recht op bijstand. Deze afwijking was gedaan om de regeling sneller te kunnen implementeren, wat van groot belang was in tijden van economische onzekerheid.
De regeling had ook juridische en fiscale implicaties, zoals de belastbaarheid van de uitkering bij partners. In een rechtszaak oordeelde de rechtbank dat het aandeel van de partner terecht belast was, ook al had hij geen geld op zijn rekening ontvangen. Dit benadrukt de complexiteit van tijdelijke regelingen en de belangrijkheid van een zorgvuldige evaluatie van hun gevolgen.
De Tozo-regeling was een belangrijk onderdeel van de coronasteunmaatregelen en heeft bijgedragen aan de stabiliteit van het bedrijfsleven in Nederland. De ervaring met deze regeling kan leiden tot verbeteringen in de uitvoering van tijdelijke regelingen in de toekomst.
